De schoonheid van de Uebermensch kwam tot mij als schaduw. Ach, mijn broeders! Wat gaan mij nog de goden aan!


de-schoonheid-van-de-uebermensch-kwam-tot-mij-als-schaduw-ach-mijn-broeders-wat-gaan-mij-nog-de-goden-aan
friedrich nietzschedeschoonheidvandeuebermenschkwamtotmijalsschaduwachmijnbroederswatgaannoggodenaande schoonheidschoonheid vanvan dede uebermenschuebermensch kwamkwam tottot mijmij alsals schaduwmijn broederswat gaangaan mijmij nognog dede godengoden aande schoonheid vanschoonheid van devan de uebermenschde uebermensch kwamuebermensch kwam totkwam tot mijtot mij alsmij als schaduwwat gaan mijgaan mij nogmij nog denog de godende goden aande schoonheid van deschoonheid van de uebermenschvan de uebermensch kwamde uebermensch kwam totuebermensch kwam tot mijkwam tot mij alstot mij als schaduwwat gaan mij noggaan mij nog demij nog de godennog de goden aande schoonheid van de uebermenschschoonheid van de uebermensch kwamvan de uebermensch kwam totde uebermensch kwam tot mijuebermensch kwam tot mij alskwam tot mij als schaduwwat gaan mij nog degaan mij nog de godenmij nog de goden aan

Mijn schaduw roept mij? Wat doet mijn schaduw ertoe! Hij kan mij nalopen! ik loop van hem wegVraag mij af wat  het beste is... zal ik te voet gaan,  of zal ik mij laten dragen... ach wat, ik neem de Twijfelweg wel met de benenwagenNog een ding weet ik; ik sta thans voor mijn laatste bergtop en voor dat, wat mij het langst bespaard is gebleven. Ach, mijn zwaarste weg moet ik beginnenWat drokheidt woelt 'er door het slot? Ach! ach! wat is mij 't hart bezwaert!Zoudt gij een god kunnen scheppen? Zwijgt mij dan toch van alle goden! Wel kunt gij echter de Uebermensch scheppenAls ik geroepen word om te gaan, laat mij dan nog even blijven staan, om nog eenmaal te kijken en te luisteren, naar wat ik zo intens heb lief gehad