Ik houd van hem, die zijn God geselt, omdat hij zijn God liefheeft, want hij moet onder toorn van zijn God te gronde gaan


ik-houd-van-hem-die-zijn-god-geselt-omdat-hij-zijn-god-liefheeft-want-hij-moet-onder-toorn-van-zijn-god-te-gronde-gaan
friedrich nietzscheikhoudvanhemdiezijngodgeseltomdathijliefheeftwantmoetondertoorntegrondegaanik houdhoud vanvan hemdie zijnzijn godgod geseltomdat hijhij zijnzijn godgod liefheeftwant hijhij moetmoet onderonder toorntoorn vanvan zijnzijn godgod tete grondegronde gaanik houd vanhoud van hemdie zijn godzijn god geseltomdat hij zijnhij zijn godzijn god liefheeftwant hij moethij moet ondermoet onder toornonder toorn vantoorn van zijnvan zijn godzijn god tegod te grondete gronde gaanik houd van hemdie zijn god geseltomdat hij zijn godhij zijn god liefheeftwant hij moet onderhij moet onder toornmoet onder toorn vanonder toorn van zijntoorn van zijn godvan zijn god tezijn god te grondegod te gronde gaanomdat hij zijn god liefheeftwant hij moet onder toornhij moet onder toorn vanmoet onder toorn van zijnonder toorn van zijn godtoorn van zijn god tevan zijn god te grondezijn god te gronde gaan

Niets staat de kennis van God zozeer in de weg als tijd en ruimte, want tijd en ruimte zijn fragmenten, terwijl God één is! En daarom, als de ziel God wil kennen, moet zij hem boven de tijd uit en buiten de ruimte kennen; want God is niet dit nóch dat, aangezien dit gemanifesteerde dingen zijn. God is éénWat houd ik eigenlijk van die man, denkt hij. En hij heeft het altijd onmogelijk voor me gemaakt om het te laten merken. Misschien zal hij als Henoch wandelen met God en er ineens niet meer zijnIk houd van hem, die zich schaamt, als de teerling naar zijn geluk valt en die dan vraagt; ben ik dan een valse speler? Want hij wil te gronde gaanBidden moet toch een belediging van God zijn, alsof hij niet weet wat hij wil zonder dat hij aan zijn kop gezeurd wordtWaarom zijn wij God kwijt? Omdat we onszelf verloren zijn. Omdat wij dat deel van ons dat God is niet meer ontwikkelenGod is geen God van droefheid, maar een God van troost en blijdschap. Hij heeft geen behagen in onze nutteloze droefheid. Want de droefheid over de zonde is van korte duur en is tegelijk ook aangenaam door de belofte van genade en vergeving der zonden. Die andere droefheid is echter van de duivel en is zonder belofte; het is puur een bezorgdheid over onmogelijke dingen, die God alleen aangaan